Sommige huisgenoten nodig je nooit uit. Ze lopen gewoon binnen, hangen hun jas aan jouw kapstok, zetten zich in jouw hoofd en beginnen er te wonen alsof ze altijd al recht op die plek hadden. Mevrouwtje Ik Kan Het Niet is er zo eentje. Ze heeft geen huurcontract, geen identiteitskaart en toch weet ze keer op keer binnen te sluipen. Soms zachtjes, op kousenvoeten, soms als een stormram. En voor je het weet, is ze weer de baas in huis. In mijn huis.
Het stemmetje met de megafoon
Ik weet niet precies wanneer ze voor het eerst opdook. Misschien bij die eerste spreekbeurt die ik al stotterend en met een rood hoofd bracht, of die sollicitatiebrief van een hoge functie die ik nooit heb durven versturen. Ze komt nooit roepend binnen. Ze fluistert. “Zou je dat wel doen?” zegt ze. “Wat als je faalt? Wat als ze lachen met je?” En voor je het goed en wel beseft, hoor ik: “Je kan dat niet.”
Die gedachte blijft niet in een hoekje zitten. Ze weerkaatst. Elke stap die ik overweeg, elk idee dat in me opkomt, wordt overstemd door haar gefluister, dat inmiddels klinkt alsof het uit een luidspreker komt. Het galmt in mijn hoofd op een eindeloze repeat.
Mevrouwtje “Ik kan het niet” weet precies waar ze moet prikken.
Donker behangpapier
Lang blijft ze niet op haar kamertje. Nee, ze wil uitbreiden. Ze schuift meubels opzij, zet haar koffers open, begint te behangen. Alles in donkergrijs, zwaar en plakkerig. En voor ik het weet, zitten mijn gedachten vol schemer en schaduw.
Van buitenaf hoor ik mensen aanmoedigen. Ze roepen dat ik dit kan, dat ik moet volhouden. Maar zij – Mevrouwtje “Ik kan het niet” heeft mijn interne volumeknop al lang op mute gezet. Alleen zij galmt nog door. Ze straalt en is helemaal in haar nopjes.
Wat wetenschap zegt over haar bestaan
Cognitieve gedragstherapie noemt haar een “automatische negatieve gedachte” – een patroon dat zich ontwikkelt na ervaringen van kritiek of mislukking (Beck, 1976). Deze gedachten – zoals “ik ben niet goed genoeg” of “ik ga falen” – hebben de neiging zich te nestelen in ons brein als overtuigingen. Ze worden versterkt door eerdere ervaringen van falen of kritiek. Ze sturen onze emoties, ons gedrag en ja, zelfs ons lichaam.
Mijn ademhaling hapert; mijn hart klopt alsof ik moet wegsprinten; mijn handen trillen, mijn benen voelen slap, mijn voorhoofd blinkt van het angstzweet, mijn stem bibbert; alsof ik op het randje balanceer van… ja, van wat eigenlijk? Soms moet ik letterlijk in een plastieken zak ademen. Want zij zegt: “Zie je wel? Je kan dit niet.” En mijn lichaam knikt en gehoorzaamt. Ze is een virus dat zich vermenigvuldigt door adrenaline, cortisol en paniek.
De val en het applaus van het falen
En dan gebeurt het. De voorspelling is uitgekomen; ik durf niet en beslis om het niet te doen en ik faal. En zij, zij staat daar triomfantelijk. In haar kamer aan het raam met haar armen gekruist en dat venijnige lachje.
Missie volbracht. “Zie je wel,” zegt ze. “Ik had gelijk.”
Het begin van een wederopbouw
Maar dan is er iets, als bij wonder lukt iets en ik boek een onverwachte kleine overwinning. Iemand zegt: “Goed gedaan, zie je wel je kan dat wel.” En Mevrouwtje “Ik kan het niet” schuift wat achteruit. Mopperend, twijfelend en misschien zelfs verveeld kijkt ze toe. Bij herhalende successen, pakt ze resoluut haar spullen. Ze is moe van het kritiseren, het manipuleren en het behangen.
De kamers in mijn hoofd lichten op. Het wordt weer helderder en mijn adem wordt dieper. En heel even, héél even, voel ik ruimte en vrijheid. Ik kan iets. Tuurlijk wel!
Slot — Ze komt terug. Maar ik ook.
Ik weet dat ze terugkomt. Misschien morgen al of volgende maand. Ze kent de weg en heeft sleutels die ik nooit gaf. Maar deze keer weet ik dat ze niet onoverwinnelijk, wel hardnekkig maar niet onverslaanbaar.
Mijn ervaring, mijn kleine overwinningen, mijn realistisch optimisme – dat zijn mijn wapens. Ervaring helpt me haar te herkennen. Mijn omgeving helpt me haar te relativeren. Ik blijf oefenen in geloven in mezelf, al is het maar stap per stap. Adem per adem.
En wie weet, krijgt zij op een dag eens ademnood van mij.

