“Ben je gelukkig?”
Het is een van die vragen die altijd groter klinkt dan het antwoord dat ik durf te geven. Een simpele ja of nee lijkt niet genoeg, maar toch wordt er vaak niet meer verwacht dan dat.
En daar begint het al.
Want neen zeggen klinkt te zwaar, alsof ik elke dag in wanhoop leef. Maar ja zeggen voelt ook niet eerlijk, want ik loop niet voortdurend zingend door het leven. Geluk is geen lichtschakelaar die ik kan omdraaien, en toch wordt die vraag gesteld alsof het wél zo werkt.
Het vergelijken begint meteen
Wanneer ik over mijn geluk nadenk, begin ik vanzelf te vergelijken. Misschien ben ik gelukkig vergeleken met iemand die in het ziekenhuis ligt, die vecht tegen pijn of een diagnose die het leven uit elkaar rukt. Maar misschien ben ik ongelukkiger dan iemand die net de lotto heeft gewonnen en champagne ontkurkt in een nieuwe villa.
Mijn geluk lijkt soms te balanceren tussen de hand die vol is en de hand die leeg blijft. Ik ben tevreden met wat ik vasthoud, maar ik zie ook wat ik mis. Ik wou twee kinderen in plaats van één. Ik wou een broer die er echt voor me was. Ik wou een villa, een appartement aan zee, een rode cabriolet die flikkert in de zon. Ik wou een job waarin alles lukt, zonder gezeur of controle. Ik wou een lichaam dat moeiteloos sportief beweegt en een stem die niet hapert als ik iets belangrijks vertel.
En terwijl ik mezelf hoor opsommen, voel ik hoe mijn wensenlijst verandert in een stille aanklacht. Alsof ik pas gelukkig ben als alles klopt.
Het standje voor mezelf
Wanneer ik daarin doorschiet, geef ik mezelf een standje. Want er zijn zoveel mensen die het slechter hebben. Mensen die dagelijks opstaan met zorgen die zwaarder zijn dan die van mij. In vergelijking met hen mag ik mezelf gelukkig noemen, of tenminste tevreden.
Maar zelfs dat voelt soms oneerlijk. Want geluk laat zich niet altijd corrigeren door logische redeneringen. Je kan jezelf niet zomaar gelukkig praten door te wijzen naar wie het moeilijker heeft. Geluk luistert niet naar logica.
De relatieve maatstaf
Wat me raakt, is hoe individueel geluk eigenlijk is, en tegelijk hoe afhankelijk we het maken van de ander. Geluk wordt een soort stille competitie. We meten onszelf niet alleen af aan wie meer heeft, maar ook aan wie minder heeft, en ergens daar tussenin proberen we ons eigen antwoord te formuleren.
Misschien maakt dat het zo lastig om die eenvoudige vraag eerlijk te beantwoorden. Want geluk is altijd relatief, altijd in beweging, altijd een vergelijking.
Conclusie
Geluk voelt soms als een wedstrijd waarin niemand wint. We vergelijken omhoog en omlaag, we vullen en legen onze handen in gedachten, en we geven onszelf tussendoor een standje dat we niet genoeg waarderen wat er is.
Misschien moeten we stoppen met geluk te meten langs anderen. Misschien is geluk gewoon dat ene moment waarop ik lach, niet omdat alles klopt, maar omdat er even niets is of ontbreekt.
Met een warme groet, Anna O.

