Wachten in de inkomhal

Ik zit in de inkomhal van het UZ Leuven, een beetje verscholen, alsof ik daar niet echt hoor te zijn. Ik wacht op mijn dochter die binnen is voor een onderzoek. Het is een onschuldig onderzoek, maar toch klampt er zich altijd een stukje onrust vast aan dat wachten. Wachten in een ziekenhuis heeft iets bijzonders: de tijd voelt er trager, maar tegelijk ook zwaarder.

Voor mij schuifelen mensen voorbij. Ouders met kinderen, kinderen met ouders. Mensen met wandelstokken, rolstoelen, dossiers onder de arm, en soms angst in de ogen. Iedereen is hier met een reden, een afspraak, een uitslag, een hoop, een vrees. En ik kijk. Ik doe wat ik altijd doe als ik wacht: observeren, verhalen verzinnen, patronen zien in gezichten. Er zijn er die haastig voorbijstappen, alsof ze het gebouw niet willen voelen, en anderen die blijven hangen, alsof ze hier iets moeten loslaten.


De verhalen in de stoelen

De inkomhal van een ziekenhuis is eigenlijk een verzameling van stiltes. Kleine stiltes tussen twee woorden van de receptioniste, tussen twee nummers op het scherm, tussen de koffieautomaat en het gekraak van rolstoelen. Ik probeer te raden wat er in mensen hun hoofd omgaat. Sommigen kijken strak voor zich uit, alsof elke seconde telt. Anderen lachen, alsof ze zichzelf overtuigen dat het allemaal wel goed komt.

Een man met een wandelstok wordt begeleid door zijn dochter. Ze praat zacht, hij knikt traag. Ik zie hun handen elkaar raken. Even verderop zit een vrouw met een sjaal rond haar hoofd, haar blik gericht op een witte muur. Naast haar een jonge vrijwilliger, die te groot is voor de stoel waarop hij zit. Hij glimlacht, en ze glimlacht terug. Twee mensen die elkaar niets verschuldigd zijn, en toch een klein stukje warmte delen.

En ik denk: misschien zijn ziekenhuizen niet zozeer plaatsen van ziekte, maar van menselijkheid in zijn puurste vorm.


Het lichaam dat ons inhaalt

Soms vergeten we dat we een lichaam hebben. We gebruiken het, we forceren het, we verwachten dat het ons volgt. Tot het niet meer wil. Tot het kraakt, stokt, of pijn doet. In een ziekenhuis wordt dat vergeten lichaam plots zichtbaar. Overal om mij heen zie ik het bewijs van hoe kwetsbaar we zijn. Een knie die kraakt. Een hart dat hapert. Een rug die niet meer recht wil.

Ik denk aan hoe vaak ik mijn eigen lichaam negeer. De vermoeidheid, de hoofdpijn, de kleine signalen die ik wegwuif met een “het zal wel gaan”. Maar hier, tussen deze muren, zie ik wat er gebeurt wanneer het niet meer “wel gaat”. En ik voel een mengeling van angst en nederigheid.

Wetenschappers zouden zeggen dat mensen niet gemaakt zijn om voortdurend aan te staan. Ons zenuwstelsel kan niet eindeloos spanning dragen. We zijn gebouwd om te rusten, om stil te vallen. En toch blijven we rennen, alsof stilvallen een mislukking is. Tot we stilvallen, omdat het niet anders kan.


De troost van de kleine blik

Even kruist een vrouw mijn blik. We glimlachen kort, die beleefde, kleine glimlach van mensen die allebei beseffen dat ze zich op onbekend terrein bevinden. Een glimlach die zegt: ik begrijp het. Het is een minieme vorm van troost, maar het helpt. In dat moment zijn we niet enkel mensen die wachten — we zijn getuigen van elkaars bestaan.

Het is vreemd hoe een plaats die gevuld is met ziekte en angst, tegelijk zoveel leven kan uitstralen. Ik zie vrijwilligers met badges die vragen beantwoorden alsof het hun roeping is. Ik hoor het gezoem van liften, het schuifgeluid van stoelen, de gedempte stemmen van artsen. Alles beweegt in een ritme dat trager is dan buiten, maar tegelijk zoveel intenser.


De eindigheid en de voortgang

Hier in de inkomhal lijkt het leven zich samen te trekken tot zijn essentie. We komen binnen met hoop of met angst, we vertrekken met uitslagen of met plannen, maar de beweging blijft dezelfde: komen en gaan. En ik besef plots dat dit misschien is wat leven betekent — voortdurend onderweg zijn tussen weten en niet weten, tussen angst en opluchting, tussen verlies en herstel.

Mijn dochter komt even later de hoek om, glimlachend, opgelucht. Alles is goed. En ik glimlach terug, iets breder dan gewoonlijk, dankbaar dat we vandaag nog tot de categorie van de gezonden behoren. Ik weet hoe snel dat anders kan zijn.

Buiten blaast de wind, de lucht is koel. En ik denk aan hoe vreemd het is dat je soms pas voelt dat je leeft, wanneer je even stilstaat in een plaats waar zoveel leven op het spel staat.

Met een groet, Anna O.

Motivatie

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Cookieconsent met Real Cookie Banner