Er zijn dagen waarop ik naar een vergadering stap met het gevoel dat ik er helemaal klaar voor ben. De argumenten liggen klaar, de cijfers zitten min of meer juist, en in mijn hoofd klinkt mijn stem helder en overtuigend. Ik ga het zeggen zoals het is. Deze keer zal ik mijn punt maken.
Maar dan zie ik haar. Mijn nemesis.
Iedereen heeft er wel één — de persoon die nog maar moet ademen om je bloeddruk te doen stijgen. Die zonder woorden een energie uitstraalt waardoor je plots verandert van een zelfzekere professional in een bedeesde versie van jezelf. Ik weet niet wat het is: haar toon, haar blik, of gewoon de herinnering aan vorige keren dat ik het niet haalde.
Ze opent haar mond, en het is alsof de lucht in de kamer verandert. Ik wil tussenkomen, ik wil iets zeggen, maar ik hoor mezelf zwijgen. Ik voel mezelf kleiner worden, niet zichtbaar voor de buitenwereld, maar voelbaar in elke vezel. Ik knik, glimlach wat, en daar is het weer: dat pluisje dat ze van haar jas blaast.
De nasmaak van stilte
Achteraf komt het allemaal. De woorden, de argumenten, de scherpte. In mijn hoofd voer ik de vergadering opnieuw. Alleen dit keer wint mijn versie van mezelf. Ik zeg precies wat ik wil zeggen. Ik ben ad rem, grappig, kalm, en tegelijk briljant. Ik leg iedereen moeiteloos het zwijgen op. En ik word kwaad — niet op haar, maar op mezelf, omdat ik dat allemaal nu pas kan.
Het is een vermoeiende hobby, nagesprekken voeren met jezelf. Psychologen noemen het rumineren: het herkauwen van wat geweest is, alsof het daardoor verteerbaarder wordt. Het tegendeel is waar. Elke gedachte die ik probeer te slikken, blijft ergens steken.
Ik probeer mezelf wijs te maken dat zwijgen ook een vorm van wijsheid is. Dat niet alles uitgesproken moet worden. Maar dat is een halfbakken troost. Soms zwijg je niet omdat je wijs bent, maar omdat je bevroren bent — uit angst om iets verkeerd te zeggen, of omdat je al weet dat het niets zal veranderen.
Vrouwen aan de top (of erboven)
Ik geloof echt dat vrouwen elkaar moeten ondersteunen, elkaars hand moeten reiken, mekaar moeten laten groeien. Maar soms lijkt het eerder op een duw dan op een duwtje in de rug. Zij — die vrouw die ik waarschijnlijk groter maak dan ze is — heeft dat duwen geperfectioneerd. Niet kwaadwillig, niet expliciet, maar doeltreffend. Haar woorden snijden zonder volume.
We begrijpen elkaar niet. Zij is concreet, directief, efficiënt. Ik ben eerder gevoelsmatig, verhalend, eerder het type dat nuance ziet waar zij liever lijnen trekt. En ergens besef ik dat dat niet slecht is, alleen vermoeiend.
De echo van het onuitgesprokene
Ik heb honderden gesprekken gevoerd met mensen die er nooit iets van gehoord hebben. Hele betogen die in mijn hoofd blijven hangen. Boze, verontwaardigde, soms ook grappige versies van mezelf die zich enkel in mijn verbeelding ontplooien.
Soms denk ik dat het niet uitspreken van alles wat ik voel, me net redt. Want eerlijk — wat zou er overblijven als we werkelijk alles zouden zeggen? De wereld zou verzuipen in uitgesproken gedachten en niet-gefilterde waarheden. Misschien is het net het onuitgesprokene dat de boel bij elkaar houdt.
En toch. Toch zou ik het willen kunnen. Eén dag zelfzeker zijn, het vuur in mijn stem voelen, zonder schroom botsen. Zeggen wat ik denk, met overtuiging. En daarna gerust weer terugkeren naar de mildere versie van mezelf.
De mens die terugpraat
Misschien is dat wel de essentie: ik wil geen ander worden, maar gewoon even iemand die haar woorden op tijd vindt. Iemand die niet pas achteraf weet wat ze had willen zeggen. Want achteraf is het te laat, en tegelijk ook te veilig.
Vandaag heb ik niks gewonnen, niks verloren. Ik heb niet te hard geroepen, niet te veel gezegd, niet te weinig. Ik ben er nog. Met een handvol onuitgesproken zinnen in mijn hoofd — sommige scherp, andere zacht, allemaal echt.
En misschien is dat het leven zelf: voortdurend woorden verzamelen die nooit uitgesproken worden, maar toch iets betekenen.
Met een groet, Anna O.

