De tunnel

Ik wandel door een tunnel. Zwart en donker, maar met een licht aan het einde dat me voortduwt. Ik zet één voet voor de andere, vastberaden, alsof ik weet waar ik naartoe ga. Aan weerszijden van de tunnel zie ik deuren. Ze zijn dicht, maar verlicht door iets dat erachter schuilt — iets wat lijkt op hoop, of verleiding. Alle deuren lijken op elkaar, en toch lonken ze.

Achter mij voel ik beweging. Zwarte wezentjes — klein, taai en hardnekkig — trekken aan mijn armen, hangen aan mijn benen, kleven aan mijn rug. Ze fluisteren niet, ze roepen. In het ritme van mijn stappen herhalen ze wat ik allemaal nog moet doen, welke verplichtingen ik heb, verwachtingen die dringend zijn, verantwoordelijkheden die wachten.
Mijn hoofd tolt, mijn adem stokt, maar ik blijf gaan.


De last van wat moet

De wezentjes zijn niet kwaadwillig. Ze zijn vertrouwd, bijna huiselijk. Ze dragen namen als werkdruk, zorg, angst, schuldgevoel, verwachting. Ze herinneren me eraan dat het leven niet stilstaat, dat ik moet blijven bewegen, blijven presteren, blijven voldoen. En dus blijf ik stappen, want stoppen voelt als falen.

De deuren aan de zijkant trekken mijn blik. Elke deur lijkt een mogelijkheid, een ontsnapping, een alternatief. Misschien ligt er achter één van hen rust, of vrijheid, of een ander leven. Maar ik blijf rechtdoor gaan. Ik heb geleerd dat afwijken zelden iets oplost, en dat licht op het einde is te verleidelijk om niet te volgen.

Ik kom anderen tegen in de tunnel. Sommigen lopen snel, alsof ze niets wegen. Anderen sleuren zich voort, met dezelfde zwarte schaduwen op hun rug. We kijken elkaar niet aan, we weten: we dragen allemaal iets.


De deuren die lonken

Er zijn er ook die plots stoppen. Die, moe van het moeten, een zijsprong wagen. Ze draaien een deurklink om, en verdwijnen. Ik zie hoe het licht achter de deur even opflakkert — helder, uitnodigend — en dan meteen weer dooft.
Wat overblijft, is een nieuwe tunnel. Even donker. Even lang.
De belofte van een andere weg blijkt gewoon een herhaling van dezelfde. Alleen met andere zijwanden, andere deuren, andere wezentjes.

Ik blijf staan. Even twijfel ik of ik moet volgen, maar dan besef ik: elke tunnel lijkt anders tot je erin zit.
Dus stap ik verder.


De psychologie van doorgaan

Ergens las ik dat mensen van nature richting licht bewegen. Dat ons brein geprogrammeerd is om doelen te zoeken, betekenis, iets wat lijkt op vooruitgang. Maar het brein maakt geen onderscheid tussen zinvol en zinloos — het wil gewoon iets dat lonend aanvoelt.
Misschien is dat waarom ik blijf stappen, ook al weet ik niet waarheen.

De zwarte wezentjes blijven trekken, maar hun stemmen worden zachter. Ik voel mijn tred verzwaren, maar ik beweeg. Het licht komt dichterbij, eindelijk. Ik begin te denken dat ik het gehaald heb — dat ik bijna vrij ben van alles wat me tegenhield.


Het einde van de tunnel

En dan plots: licht.
Helder, verblindend bijna.
Ik spring erin, opgelucht, alsof ik eindelijk van mezelf verlost ben.

Maar nog voor ik kan ademen, voel ik het besef opkomen dat ik niet weet waar ik ben.
Er is geen fanfare, geen vlag die zegt: gehaald. Alleen stilte, en het zachte besef dat ik gewoon verder moet.
En raar genoeg: dat is niet erg.

Misschien is dat licht aan het einde van de tunnel geen beloning, maar een overgang. Een rustpunt tussen twee stukken van dezelfde weg.
Misschien is de tunnel niet iets om uit te geraken, maar iets om door te leven.

Ik kijk achterom — de wezentjes zijn weg, of kleiner geworden, of gewoon minder luid.
Voor mij ligt een nieuw stuk pad. Nog altijd met deuren, nog altijd met stemmen, maar ook met iets nieuws: het gevoel dat ik mag blijven stappen, op mijn tempo, zonder te weten waarheen.

En dat — hoe vreemd ook — voelt als vrijheid.

Met een groet, Anna O.

Motivatie
Motivatie

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Cookieconsent met Real Cookie Banner