De zoektocht
Ik zat daar aan die ronde tafel op het werk, glimlachend omdat iedereen glimlachte, terwijl ik vanbinnen alleen maar paniek voelde. We moesten onszelf voorstellen aan de hand van onze talenten. Talenten, alsof die zomaar klaarstonden in een overzichtelijk lijstje. Bij mij brak het koudzweet uit. Ik ken mijn passies al nauwelijks, laat staan dat ik vlotjes een inventaris van mijn talenten kan opdreunen.
Het ging van kwaad naar erger toen de opdracht veranderde in: benoem het talent van je buur. De ruimte werd muisstil, het soort stilte dat niet zacht is maar hard, alsof iedereen even vergat hoe praten werkt. Een zucht hier, een onzekere blik daar. De moderator probeerde het nog te redden met de suggestie om een talentenbank te bouwen. Een bank! Alsof mensen geldautomaten zijn die kwaliteiten uitspuwen.
Ik probeerde intussen lángs binnenwegen te zoeken naar iets dat ik talent kon noemen. Ik weet dat ik graag met onbekenden praat en dat het me meestal ook lukt. Dat ik empathisch ben, denk ik toch. Dat ik goed kan luisteren. En dat ik een soort humor bezit die niet door iedereen begrepen wordt, maar die mij wel amuseert. Dat telt allicht ook. Maar verder dan die holle begrippen kwam ik niet.
De verborgen lagen
En toch, ergens diep vanbinnen, weet ik dat er meer is. Niet omdat het ooit luid benoemd werd, maar omdat het zich toont in stilte. Het vermogen om door te zetten wanneer het eigenlijk niet meer moet. Het talent om orde te zien in chaos. Om mensen en situaties met elkaar te verbinden zonder dat iemand echt merkt hoe veel energie dat vraagt. Het vermogen om te dragen wat anderen neerlegt, zonder dat het van mij afstraalt. Het is vreemd hoe de talenten waar we het hardst op kunnen bouwen vaak degene zijn die we het minst durven claimen.
In de psychologie heet dat self-serving blindness: blind zijn voor wat we kunnen omdat het zo vanzelf gaat dat het onzichtbaar wordt. Alsof talent pas telt als het uitzonderlijk klinkt, innovatief lijkt of op een visitekaartje past. Terwijl het vaak zit in de dagelijkse bewegingen, de kleine gebaren, de manier waarop je blijft functioneren in omstandigheden waarin anderen allang waren afgehaakt.
De paradox van etiketten
Het frappante is dat we niet gedefinieerd willen worden door labels wanneer het over ziektes of diagnoses gaat. We willen niet herleid worden tot één woord dat zogezegd alles vat. En toch, zodra het over talenten gaat, doen we precies hetzelfde. We proberen onszelf te beschrijven in behapbare stukjes, alsof een mens een set competenties is in plaats van een wisselend landschap.
We willen vrij zijn, maar tegelijk begrijpen. Alles benoemen, maar ook overstijgen. Het is een vreemd spanningsveld: de drang om te weten wie we zijn en de angst om vastgepind te worden op één eigenschap. De mens is in dat opzicht een complex schepsel: altijd onderweg tussen definitie en vrijheid.
Waar talent echt leeft
Misschien is dat de kern: talenten zijn geen vlaggen die we fier wapperen, maar bewegingen die zich herhalen zonder dat we erbij stilstaan. Iets dat vanzelf gaat, zo vanzelf dat je het amper opmerkt. Talent zit niet in wat je benoemt, maar in wat je voortdurend doet zonder dat iemand het je vraagt.
En ergens in die herhaling gebeurt iets bijzonders. Onzekerheid schuift soms zachtjes opzij en verandert in mildheid. Twijfel verschuift naar nieuwsgierigheid. In dat licht worden talenten geen labels meer, maar fluisteringen die al jaren proberen op te vallen.
Slot
Misschien gaat het dus niet over het feilloos benoemen van talenten, maar over het stilaan leren herkennen van wat al lang aanwezig is. Over onszelf toestaan om meer te zijn dan die holle begrippen die we uit angst opdreunen. Over ruimte laten voor alles wat nog in ons verscholen zit, klaar om gezien te worden zonder dat het geforceerd wordt.
En misschien is dát wel het grootste talent: blijven zoeken, zelfs wanneer je denkt dat er niets te vinden valt.
Met een groet, Anna O.

